Kosten bedrijfswagens de overheid echt 5,2 miljard euro? Dit is wat het Federale Planbureau (echt) zegt
Het debat over bedrijfswagens laait opnieuw op. In een langverwachte nieuwe studie schat het Federale Planbureau dat het huidige fiscale regime voor bedrijfswagens tegen 2028 goed zal zijn voor een “fiscale uitgave” van 5,2 miljard euro. Een indrukwekkend bedrag dat ongetwijfeld de discussies over de toekomst van de autofiscaliteit in België zal aanwakkeren. Achter dat cijfer schuilen echter heel wat nuances die niet uit het oog mogen worden verloren.
Een vergelijking met een… theoretisch systeem
In tegenstelling tot wat sommige krantenkoppen doen vermoeden, stelt het Federale Planbureau niet dat bedrijfswagens de Belgische overheidsfinanciën vandaag 5,2 miljard euro kosten.
De studie vergelijkt in werkelijkheid twee scenario’s:
- het huidige Belgische fiscale systeem;
- een referentiescenario waarin het privévoordeel van een bedrijfswagen belast wordt zoals een klassiek loon.
Het verschil tussen beide systemen vormt wat economen een fiscale uitgave noemen. Volgens de simulaties van het Planbureau zou dat verschil in 2028 oplopen tot ongeveer 5,2 miljard euro.
Het Planbureau benadrukt overigens zelf dat deze raming met een aanzienlijke onzekerheid is omgeven en sterk afhangt van de gehanteerde veronderstellingen.
Bedrijfswagens stimuleren de elektrificatie
De studie wijst ook op een element dat in het maatschappelijke debat vaak onderbelicht blijft.
Het huidige fiscale regime heeft de keuzes van ondernemingen op het vlak van aandrijftechnologie sterk beïnvloed. Dankzij de opeenvolgende hervormingen van de autofiscaliteit vertegenwoordigen elektrische voertuigen vandaag een zeer groot aandeel van de nieuwe inschrijvingen op de professionele markt.
Het Planbureau merkt op dat, indien deze fiscale voordelen volledig zouden verdwijnen, het aandeel van elektrische voertuigen en plug-inhybrides licht zou afnemen ten voordele van voertuigen met een verbrandingsmotor. De impact op de overheidsinkomsten zou zich dus niet beperken tot de fiscaliteit van bedrijfswagens alleen, maar ook gevolgen hebben voor andere inkomstenbronnen, zoals accijnzen op brandstoffen en verkeersbelastingen.
Opgepast voor overhaaste conclusies
Het cijfer van 5,2 miljard euro zal ongetwijfeld de aandacht trekken.
Toch mag niet uit het oog worden verloren dat het niet gaat om een factuur die rechtstreeks door de belastingbetaler wordt betaald, noch om een bedrag dat de overheid automatisch zou recupereren door bedrijfswagens af te schaffen.
De berekening vertrekt immers van een theoretisch referentiescenario waarin wordt verondersteld dat werkgevers bedrijfswagens volledig zouden vervangen door een gelijkwaardige loonvergoeding, rekening houdend met de gedragsveranderingen van zowel ondernemingen als werknemers. Het Federaal Planbureau erkent zelf dat deze hypotheses een aanzienlijke onzekerheidsmarge bevatten.
Eén ding staat daarentegen vast: met de verdere vergroening van de autofiscaliteit, de nakende verplichting van het mobiliteitsbudget en de discussies over de hervorming van extralegale voordelen is het debat over de plaats van de bedrijfswagen in de verloning van Belgische werknemers nog lang niet beslecht. De komende maanden beloven dan ook bijzonder boeiend te worden voor fleet managers, HR-verantwoordelijken en ondernemingen, die hun mobiliteitsbeleid verder zullen moeten aanpassen aan een regelgevend kader dat voortdurend evolueert.

