EDITO – Mobiliteitsbudget: 1 januari 2027 lijkt steeds minder haalbaar, maar afwachten is geen optie
Op minder dan vier maanden van de aangekondigde verplichte invoering van het mobiliteitsbudget bevinden Belgische ondernemingen zich in een bijzonder ongemakkelijke situatie: ze worden geacht zich voor te bereiden op een verplichting die juridisch nog niet bestaat. En hoe meer tijd verstrijkt, hoe minder haalbaar 1 januari 2027 als ingangsdatum lijkt. Maar moeten ze daarom passief afwachten?
De ministerraad keurde op 9 januari 2026 wel degelijk een voorontwerp van wet goed. Dat bepaalt dat werkgevers met minstens 50 werknemers vanaf 1 januari 2027 een mobiliteitsbudget moeten aanbieden wanneer zij al meer dan 36 maanden bedrijfswagens ter beschikking stellen. Bedrijven met 15 tot 49 werknemers zouden in 2028 volgen, terwijl kleinere ondernemingen vrijgesteld zouden blijven.
Maar een voorontwerp is nog geen wet. De definitieve tekst is nog niet goedgekeurd en evenmin in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De FOD Mobiliteit vermeldt bovendien nog altijd officieel dat de invoering van het mobiliteitsbudget facultatief blijft en dat een herziening van de wetgeving aan de gang is.
Moeten bedrijven in deze context wachten? Het antwoord laat zich eenvoudig samenvatten: niet om zich voor te bereiden, wel om definitieve beslissingen te nemen.
Nog niet alles ligt vast…
Uit de cijfers van Acerta blijkt dat momenteel slechts 13,5% van de werkgevers met minstens 50 werknemers en bedrijfswagens een mobiliteitsbudget aanbiedt. Over alle ondernemingen met een wagenpark heen bedraagt dat aandeel amper 5,1%. Die terughoudendheid wijst niet noodzakelijk op een gebrek aan interesse of nalatigheid. Ze kan ook het gevolg zijn van een volkomen rationele keuze.
Een mobiliteitsbudget invoeren, betekent veel meer dan een extra optie toevoegen aan een loonpakket. De onderneming moet de TCO van haar voertuigen per functiecategorie bepalen, een berekeningsmethode kiezen, haar car policy herzien, contracten aanpassen, de uitgavencontrole organiseren en de afdelingen fleet, HR, finance en payroll op elkaar afstemmen. Ze moet eveneens beslissen welke oplossingen uit pijler 2 toegankelijk worden en met welke tools die zullen worden beheerd.
Verschillende elementen kunnen echter nog wijzigen. Zo blijft de behandeling van huisvestingskosten een belangrijk discussiepunt. Andere vragen gaan over de mogelijkheid om bepaalde werknemers tijdelijk uit te sluiten, het beheer van lopende leasingcontracten en een eventuele verplichting om voor functies met veel professionele verplaatsingen een elektrische wagen te behouden.
Een volledig beleid vandaag al vastleggen op basis van een voorontwerp, houdt dus het risico in dat de onderneming het enkele weken later opnieuw moet aanpassen. Passief wachten op de publicatie van de wet is echter minstens even riskant. Als de streefdatum van 1 januari 2027 behouden blijft, rest er nog bijzonder weinig tijd om de berekeningen uit te voeren, een platform te kiezen, de processen aan te passen en de werknemers correct te informeren.
De juiste strategie
De juiste strategie bestaat er dan ook in om werk te maken van alles wat niet langer afhankelijk is van politieke beslissingen. Ondernemingen kunnen nu al de potentiële begunstigden in kaart brengen, de werkelijke TCO van hun wagens berekenen, aflopende contracten inventariseren, de verwachtingen van hun werknemers peilen en bepalen welke aanpassingen nodig zijn in hun payroll- en fleetmanagementsystemen.
Dat werk is niet verloren als de hervorming wordt uitgesteld of gewijzigd. Een nauwkeurig inzicht in de totale kosten van de car policy, de samenstelling van het wagenpark en de mobiliteitsbehoeften van de werknemers is sowieso waardevol, los van elke wettelijke verplichting.
Werkgevers doen er daarentegen goed aan om voldoende speelruimte te behouden in hun reglementen, contracten en technologische keuzes tot de definitieve tekst is gepubliceerd. Een flexibele architectuur voorbereiden is vandaag verstandiger dan overhaast een systeem uitrollen dat conform zou zijn met wetgeving die nog niet bestaat.
Ook de regering moet haar verantwoordelijkheid nemen. Van ondernemingen verwachten dat ze in enkele maanden tijd een belangrijk onderdeel van hun loonbeleid hervormen, terwijl onzekerheid blijft bestaan over de definitieve regels, is geen aanvaardbare werkwijze. Hoe langer de goedkeuring op zich laat wachten, hoe twijfelachtiger de haalbaarheid van een inwerkingtreding op 1 januari 2027 wordt.
Fleetmanagers mogen dus niet wachten om aan de slag te gaan. Ze hebben echter alle reden om hun nieuwe beleid nog niet definitief te verankeren. Bij het mobiliteitsbudget is anticiperen noodzakelijk. Overhaast handelen is dat niet.

